Muzeum
Sztuki in Łódź is het toonaangevende museum voor moderne en hedendaagse
kunst in Polen. Het bevindt zich niet in één van de grote culturele centra
van het land - Warszawa of Kraków - maar in een stad die haar grootte en
betekenis te danken heeft aan de ontwikkeling van de textielindustrie in
de 19e eeuw. Het gebouw, waarin het Museum is gehuisvest - een
neorenaissance stadspaleis van een textielindustrieel - refereert zelfs
aan de vergane glorie van de eens zo rijke en dynamische stad.
Het
Museum beschikt over een collectie Poolse en internationale schilder- en
beeldhouwkunst die in de loop der jaren door schenkingen, legaten en in
mindere mate door aankopen tot stand is gekomen. Ook tekeningen, prenten
en foto`s maken deel uit van de verzameling. De reikwijdte is groot: vanaf
de middeleeuwse kunst tot de meest recente uitingen van de hedendaagse
stromingen, met als hoogtepunt - in omvang en betekenis - een verzameling
werken van de klassieke internationale avant-garde.
De
geschiedenis van het Museum gaat terug tot het begin van de jaren `30.
Door een schenking aan de stad Łódź van zijn particuliere collectie oude
schilderkunst, manuscripten en boeken, legde de historicus en schrijver,
Kazimierz Bartoszewicz de basis voor een verdere ontwikkeling. Het Museum
was in die tijd gehuisvest in het toenmalige Raadhuis. Kort daarop, in
1931, volgde een tweede schenking, een ongewone voor die tijd. Het Museum
werd in één klap de eigenaar van een omvangrijke collectie werken van de
toenmalige internationale en Poolse avantgarde. In die tijd was het niet
gebruikelijk, zelfs niet in West-Europa, om in musea collecties van
eigentijdse kunst aan te leggen. Alleen Hannover ging Łódź in dit opzicht
voor: in het plaatselijke museum bestond sinds 1928 een door El Lissitzky
bijeengebrachte kleine verzameling abstracte kunst, bekend als het "Kabinett
der Abstrakten".
De
Internationale Collectie Moderne Kunst - de officiële benaming voor de
schenking - werd in een betrekkelijk korte periode bijeengebracht door de
in Łódź actieve kunstenaarsgroepering de "a.r.", waartoe o.a. de schilders
Władysław Strzemiński en Henryk Stażewski en de beeldhouwster Katarzyna
Kobro behoorden. Men wilde werk van Poolse en buitenlandse avantgarde
kunstenaars een plaats in een museum geven om op deze wijze de publieke
erkenning voor moderne kunst te bewerkstelligen. Dankzij de internationale
contacten van Strzemiński en Stażewski werden toen meer dan 70 werken van
buitenlandse, voornamelijk in Parijs werkende kunstenaars ingezameld en
naar Łódź overgebracht. Daartoe behoorde het werk van o.a. Pablo Picasso,
Jean Arp, Fernand Léger, Kurt Schwitters, Alexander Calder. Men wist ook
leden van De Stijl: Theo van Doesburg, Georges Vantongerloo, Vilmos Huszar
en Friedrich Vordemberge Gildewart te bewegen, een eigen werk te schenken
voor de "a.r."-collectie.
De
aanvaarding van deze uitgesproken moderne verzameling heeft het karakter
van het Museum blijvend gekleurd/ getekend. Voor de II Wereld Oorlog
omvatte de collectie, dankzij de vele schenkingen van Poolse avantgarde
kunstenaars, 111 objecten. De oorlog heeft het Museum zwaar getroffen. Van
de betrekkelijk kleine afdeling Oude kunst zijn belangrijke werken,
waaronder schilderijen van Jacob Jordaens en Adriaen van de Velde,
spoorloos verdwenen. De collectie "a.r." werd in haar totaliteit tot "entartete
und jüdische Kunst" verklaard; door diefstal en vernietiging zijn er 29
werken verloren gegaan.
Na de
oorlog kreeg het Museum zijn nieuwe behuizing, die aangepast werd aan de
toenmalige eisen van het museale gebruik. De faciliteiten werden
uitgebreid met een eigen restauratie- en fotoatelier. Ook de collectie
groeide verder door o.a. schenkingen en legaten. De kunstenaars Strzemiński
en Kobro schonken hun bewaard gebleven werk aan het Museum. Strzemiński
ontwierp in 1948 een tentoonstellingsruimte voor een deel van de collectie
"a.r." Deze zogenaamde "neoplastische zaal", uitgevoerd in primaire
kleuren, was een soort hommage aan Piet Mondriaan en aan de opvattingen
van De Stijlkunstenaars. Hun werk, alsook de sculpturen van Kobro kregen
plaats in deze nieuwe ruimte.
In 1950
kwam - tijdelijk - een einde aan de publieke presentatie van de Modernen.
Met de verslechtering van het politieke klimaat in het naoorlogse Polen en
de invoering in 1949 van de doctrine van het socialistisch realisme, werd
voor een aantal jaren het artistieke leven onder zware druk gezet. De
politieke liberalisering begon in 1956. Voor het Museum betekende dat
vooral een zekere vrijheid in het aanknopen van contacten met het
buitenland. Bij een structureel gebrek aan financiële middelen waren deze
contacten van een onschatbare waarde voor de vorming van de collectie.
Door bemiddeling van de in Parijs wonende Belgische kunstenaar Michel
Seuphor, vóór de oorlog al bevriend met Henryk Stażewski, werden toen vele
werken van o.a. Enrico Baj, Serge Charchoun em Victor Vasarely, voor de
collectie verworven.
In 1957
werd in de Parijse galerie Denise René de tentoonstelling "Precurseurs de
l`art abstrait en Pologne" geopend, de eerste presentatie na de oorlog van
de Poolse moderne kunst uit het bezit van het Museum.
Van
grote betekenis voor het opbouwen van de internationale reputatie van het
Museum was de periode 1966-1992, tijdens het directeurschap van Ryszard
Stanisławski. Door zijn uitgebreide contacten met vele internationale
musea en kunstenaarscentra kreeg het Museum de mogelijkheid delen van
eigen collectie regelmatig in het buitenland te presenteren en belangrijke
tentoonstellingen uit het buitenland naar Łódź
te laten komen. Bijzonder intensief was in de jaren `70 de samenwerking
met het Rijksmuseum Kröller-Müller. De in 1973 in Otterlo gehouden
tentoonstelling "Constructivism in Poland 1923-1936", een zeer uitvoerig
en voortreffelijk gedocumenteerd overzicht van het Poolse constructivisme,
reisde nadien naar o.a. Duitsland, Denemarken en de Verenigde Staten.
De
politiek woelige jaren `80 hadden o.a. twee bijzondere evenementen
voortgebracht. In 1981 werd het Museum verrijkt door een schenking door de
Duitse kunstenaar Joseph Beuys van meer dan 700 objecten en stukken uit
zijn privé archief. Het gebaar van Beuys was een blijk van waardering voor
het feit dat 60 jaar eerder in dit Museum de eerste grote collectie van
internationale moderne kunst bijeen werd gebracht. Het was tevens een
teken van zijn steun aan de toen sterk groeiende politieke en sociale
oppositie in het land. Zijn schenking kreeg een haast symbolische
betekenis toen later in hetzelfde jaar de staat van beleg werd
afgekondigd.
De
tweede belangrijke gebeurtenis was de prestigieuze tentoonstelling van de
moderne Poolse kunst die het Museum in 1983 in het Parijse Centre Pompidou
organiseerde. Getiteld "Presences Polonaises", vormde deze tentoonstelling
een schakel in een reeks presentaties van de Europese avant-gardes in hun
onderlinge samenhang.
Onder de directie van de kunsthistoricus Jaromir Jedlinski - 1992-1996 -
kregen de meest recente ontwikkelingen in de Poolse en internationale
kunst de aandacht. Op zijn initiatief werd o.a. een uitwisseling van de
collecties met het Franse Musée d`Art Contemporain in Lyon georganiseerd.
Daarnaast bleef zijn aandacht gericht op het beheer en verder
wetenschappelijk onderzoek van de klassieke Modernen.
In 1990 werd het inmiddels overvol geraakte Museum met een dependance
uitgebreid. In een prachtig gerestaureerde voormalige residentie van een
andere textielindustrieel werd een ruimte voor tijdelijke
tentoonstellingen ingericht. De overige vertrekken zijn als stijlkamers
ingericht met schilderijen en meubels uit de museale collectie.